Haar

Ineens klonk Frank Zappa’s Concentration Moon in mijn hoofd. ‘Hair growing out every hole in me.’ Ik heb een hele haargeschiedenis. Van toen ik heel klein was en krullen had. Ik huilde als ik bij de kapper zat. Mijn lange haar moest er op de middelbare school af van de rector. Daarna liet ik het groeien, het was in de jaren zestig.
Ik was het bestuurslid met het lange haar dat tijdens de vergadering de gespleten punten eruit knipte met het kleine schaartje van zijn zakmes. Ik was Peter LH in diverse cafés. LH stond voor Lang Haar, zoals de anderen Peter Hals en Peter Haas heetten, de eerste vanwege zijn rode nek, de tweede omdat hij altijd varkenshaas bestelde.
Ik had haar tot mijn schouderbladen. Bij de dameskapper vonden ze het mooi, vanwege de rode glans, kastanjebruin. En toch liet ik het korter knippen, want ik wilde een baan.
Korter haar werd nog korter. Omdat ik de onmin over haar niet de moeite waard meer vond. Omdat het beter paste bij het bedrijf waar ik werkte. Tot kort geleden.
Hoe zou het voelen als ik weer langer haar heb? Ik ben nog niet kaal, het groeit en is achter dik genoeg. Ik laat het weer groeien. De kapster vindt het wel goed. ‘Wil je een staart?’ vroeg ze en op mijn nee, knipte ze zes centimeter eraf. Dat was niet de bedoeling. Haar als Legolas uit Lord of the Rings. Hoe zou dat er bij mij uitzien?